De geschiedenis van het klooster aan de Zesstedenweg begint met pastoor Debets, die van 1857 tot 1886, het jaar van zijn overlijden, belast werd met de zorg voor de parochie te Grootebroek. Debets lijfspreuk was: ´Help jezelf, dan zal God je helpen´. Zijn eerste opdracht was het bouwen van een kerk en pastorie, maar lang voordat dit uitgevoerd was, speelde hij met de gedachte iets te doen aan de opvoeding van de jeugd. De toestand, die hij aantrof was voor Grootebroek niet erg vleiend.
De uiterst gebrekkige of liever geheel ontbrekende opvoeding der jeugd, waarvoor een ruwe en woeste straatopvoeding was in de plaats getreden, waarvan een wilde onbeschoftheid en onbeschaamdheid, een trage ontwikkeling der geestvermogens en een vervroegde ontkieming der zinnelijke neigingen, het gevolg waren, terwijl later door den zwaren arbeid welke al te vroegtijdig in hun beste leerjaren van de kinderen werd gevorderd, hunne hoogere ontwikkeling werd verstompt en verwaarloosd, aldus pastoor Debets.
In de 112 jaar dat het zusterklooster heeft bestaan, hebben 137 religieuzen het bewoond, onder leiding van 17 moederoversten. Bij de sluiting in 1978 waren er nog acht zusters over. Zij kregen op 9 juli van dat jaar een waardig afscheid aangeboden, dat bestond uit een eucharistieviering in de parochiekerk van de St. Johannes de Doper, een gezellig samenzijn met genodigden in ’t Middelpunt en een afscheidsdiner in De Halve Maan.